cahier 4: terug naar de bron

Bijdragen in het nieuwe Cahier, dat zal worden gepresenteerd op woensdagavond 16 november in het Academietheater, worden geleverd door

Huub Beurskens 

(Tegelen 1950) studeerde aan de ABV Tilburg van 1969 tot 1975. Sinds 1975 woont en werkt hij in Amsterdam. Hij was redacteur van Het Moment en van De Gids. Voor zijn literaire werk ontving hij de Herman Gorterprijs, de Halewijnprijs, de VSB Poëzieprijs en de Jan Campertprijs.

 
 
Marie Josee Corsten 

(Nijmegen 1946) studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Nijmegen. Na haar afstuderen deed zij ruime ervaring op aan het Canisiuscollege aldaar. Daarna is zij tot december 2011 werkzaam geweest aan de Fontys Hogeschool voor de Kunsten als docente Theorie der kunsten en als coördinator en lid van de kenniskring van het lectoraat Arts in Society.

 
 
Roderick Laperdrix 

(Nieuwvliet 1986) nam in 2004 deel aan de oriëntatiecursus van de ABV, en begon in 2006 als student aan de docentenopleiding, waar hij uiteindelijk in juli 2011 cum laude is afgestudeerd. Zijn scriptie werd genomineerd voor de ABV Scriptieprijs.

 
 
Maria Roosen 

(Oisterwijk 1957) studeerde aan de Tehatex Tilburg van 1976 tot 1981 en de Kunstacademie Arnhem van 1981 tot 1983. Ze exposeert wereldwijd. Vertegenwoordigde Nederland op de Biënnale van Venetië. In 2009 ontving ze de Singer-prijs.

 
 
Hans de Wit  (Eindhoven 1952) studeerde samen met Huub Beurskens aan de ABV Tilburg, van 1970 tot 1975. Aansluitend studeerde hij tot 1978 aan de Jan van Eijckacademie in Maastricht. Hij exposeert in binnen- en buitenland. In 1997 ontving hij de Jeanne Oostingh-prijs. Hij doceert sinds 1985 aan de ABV.   
 

LET OP: voor een optimale voorbereiding van de discussie-avond op 16 november kunnen vragen over de inhoud van de artikelen, of vragen die betrekking hebben op de thematiek in algemene zin, worden gemaild aan: h.fens@fontys.nl.

de artikelen, een voorschouw

De Bron is dit keer het centrale thema van het Cahier. Hoe rekbaar, en soms verwarrend het begrip bron is, wordt duidelijk bij het lezen van de verschillende artikelen en essays in dit Cahier. Het is ook dit keer een rijk geschakeerd gezelschap van alumni, docenten en studenten dat de bladzijden vult en vormgeeft.Kunsttheoriedocente Marie-Josee Corsten trapt af met een artikel waarin ze zich buigt over het gebruik van bronnen in de (kunst)wetenschap: de oorsprong van alle informatie. Waar haal je informatie, hoe betrouwbaar is die en hoe correct wordt er mee omgesprongen? Schrijver en dichter Huub Beurskens, alumnus van de opleiding, wijdt een prikkelend essay aan de wederzijdse beïnvloeding van literatuur en beeldende kunst, twee kinderen van dezelfde moeder. Van kunstenaar Hans de Wit, oud-klasgenoot van Beurskens en docent aan de ABV, is een portfolio opgenomen, voorafgegaan door een interview over zijn inspiratiebronnen. Eenzelfde combinatie van beeld en tekst vindt u over het werk van Maria Roosen, sinds jaren een van de coryfeeën van de Nederlandse kunst. Naar goede gewoonte is tenslotte een uittreksel van een genomineerde scriptie opgenomen. Roderick Laperdrix onderzoekt het verband tussen de faalangst van de jongste generatie dertigers en de anxiety of influence-theorie (hoe ga je om met, en overleef je inspirerende voorgangers?) van Harold Bloom, in ‘the Influence of Anxiety’. Van elk artikel en interview is een gedeelte opgenomen in deze voorschouw. De volledige teksten zullen uiteraard terug te vinden zijn het Cahier dat op 16 november wordt gepresenteerd. Overigens zullen die ook een week voor de presentatie hier te lezen zijn, als voorbereiding op de debatavond.

 

Sommige boeken hebben plaatjes, sommige plaatjes hebben boeken

Huub Beurskens

'Toen ik ooit in De Groene Amsterdammer kritisch schreef over bepaalde hygiënistische kunst- en cultuuropvattingen van Piet Mondriaan en met name over de sacrosancte staat die de man en zijn werk gaandeweg gekregen hebben, reageerde Jan Dibbets daar in hetzelfde weekblad op met de schampere opmerking dat zoiets typisch was voor de kijk van een literaire schrijver op beeldende kunst, zo’n schrijver die volgens hem geen verschil kon zien tussen Rembrandt en Anton Pieck. Dat was toen heerlijk om te mogen lezen en nog steeds bezorgt de herinnering eraan me een glimlach. De gedachte dat niet alle schrijvers letterkunde op een universiteit hoeven te hebben gestudeerd was in Dibbets’ hoofd niet opgekomen en al helemaal niet de voorstelling dat een schrijver een kunstacademie met succes kon hebben bezocht, laat staan eentje waar hij zelf zijn opleiding had genoten.

      Het neemt niet weg dat ook ik van menige dichter of schrijver op grond van de omgang met beeldende kunst in zijn literaire werk de indruk heb dat hij of zij met weinig oog voor artistieke aspecten naar die beeldende kunst kijkt. In mijn optiek is dat meestal een veeg teken voor de kwaliteit van de teksten zelf. Maar soms bevreemdt me zoiets in hoge mate. Zo vraag ik me af hoe het kan dat een van de grootste Russische dichters uit de moderne tijd, Iossif Brodski (geen academische studie letterkunde) of, veramerikaniseerd, Joseph Brodsky, maar liefst negen stanza’s schreef naar aanleiding van schilderijen van Carel Willink. In het laatste gedicht van de reeks met de titel ‘Op een tentoonstelling van Carel Willink’ heeft Brodsky, die zijn beelden duidelijk baseert op die van Willinks magisch-realistische werk, het zelfs over het ‘meesterschap’ dat hier wordt getoond. Kenmerkend voor Brodsky’s beste poëzie is de voortdurend aanwezige zelfreflectie van zowel de dichter als zijn gedicht en het daaruit onherroepelijk voorkomende verspringen van standpunt, iets waar het letterlijk en figuurlijk gladde magisch realisme van Willink moeilijk op te betrappen is.

      Ik ontkom er dan ook niet aan deze Brodsky-stanza’s enigszins te lezen of, beter, te bekijken op de manier waarop een andere lievelingsschrijver van me, de Pool Witold Gombrowicz (rechtenstudie), als jongeman in het Louvre in plaats van naar de schilderijen naar de kunstbewonderaars keek, tot ergernis van zijn metgezel:

        ‘“Waarom ben je kwaad op me?” vroeg ik. “Ik hoop dat je beseft dat ik niet naar de schilderijen maar naar iets anders liep te kijken.

        “Naar wat?”

        “Naar de mensen. Jij bekijkt schilderijen, ik bekijk mensen die schilderijen bewonderen. En die bewonderaars hebben stupide gezichtsuitdrukkingen, snap je? Iemand die een schilderij staat te bewonderen heeft een stupide gezicht. Dat is een feit.

        “Hoezo?”’

Gombrowicz heeft jaren nodig om een antwoord te kunnen formuleren.

(Lees hier het hele artikel: Sommige boeken)

fons origo veritatis

Marie-Joseé Corsten

Ontspringt de waarheid aan de bron?

De onderwijsinstelling Fontys heeft heel bewust gekozen voor haar naam. Die is afgeleid van het Latijnse woord fons dat bron of oorsprong betekent. Het doopvont dat in elke Christelijke kerk te vinden is, gaat terug tot dezelfde bron. In dit essay wil ik het niet hebben over de vandaag de dag kunstig verborgen rooms-katholieke wortels van onze Hogeschool. Mijn onderwerp is het belang van goede bronnen voor ieder die aan deze instelling artistieke zaken onderzoekt, hoe bescheiden ook.

Het geluk historicus te zijn.

Mijn leven lang heb ik me verdiept in de geschiedenis, met de kunsten als brandpunt van mijn aandacht. Dat heeft me een rijk en gevuld bestaan gegeven. Ik heb me nog nooit ook maar een minuut verveeld. Ik ben dus een gelukkig mens. En zal dat blijven, want ook achter de magische grens van de pensioengerechtigde leeftijd wachten me nieuwe onderwerpen om uit te zoeken, en duizend vragen waarop ik antwoord moet proberen te vinden. Tegelijkertijd weet ik dat al die vragen weer nieuwe vragen oproepen. Ik heb geleerd dat als de essentie van de historische wetenschap te zien: altijd verder, steeds beter, en nooit de moed opgeven om de waarheid over de kunsten en de werkelijkheid waarin zij een plaats hebben te achterhalen. Kunst en geschiedenis zijn altijd dichtbij. Een wandeling door een onbekende stad is altijd een ontdekkingstocht, het begin van een nieuw avontuur. De historische lagen worden langzaam zichtbaar voor wie met kennis en aandacht kijkt.

Je kunt het werk van de historicus vergelijken met dat van de detective. Je hebt alleen veel minder te maken met criminaliteit. Maar je zoekt net als de rechercheur, en even geduldig en nauwkeurig, naar aanwijzingen, en wel over hoe een kunstwerk tot stand is gekomen, en je zoekt naar circumstantial evidence om te verklaren waarom het nu juist zó is geworden, en naar motieven van de kunstenaar om op die manier met zijn materiaal om te gaan, die vormen te kiezen, dat onderwerp uit te werken. Geen kunstwerk zonder context, en je probeert dat alles te vatten in een compleet beeld. Daarin dien je creatief te zijn, en je verbeeldingskracht en inlevingsvermogen in te zetten. Dat is overigens iets geheel anders dan je uit louter empathie met het kunstwerk over te leveren aan allerlei subjectief ingekleurde veronderstellingen. Je moet heel streng zijn tegenover je zelf, en je hypotheses stoelen op bewijsmateriaal uit de bronnen en de literatuur van erkende wetenschappelijke auteurs. In het postmoderne tijdperk is de soms wel erg strenge dogmatiek van het Modernisme sterk gerelativeerd. Niet altijd onterecht, maar als gevolg daarvan is er naar mijn smaak wel erg veel ruimte gekomen voor een persoonlijke, subjectief ingekleurde visie op kunstwerken, vooral als die in een nog niet zo ver verleden tot stand zijn gekomen.

(Lees hier het hele artikel: fons origo veritatis)


The influence of Anxiety

Roderick Laperdrix

All we ever wanted / was everything

Het begint allemaal met tintelende handen
en de eerste keer wist ik helemaal niet wat het was
Toen viel ik gewoon in slaap
en dan was ik net een seconde ingedommeld
en schrok ik wakker en dacht ik dat ik een hartaanval kreeg

Je denkt gewoon dat dat het is, dat het over is
Je hebt steken in je borst, je hand en je arm die tintelt en voelt raar
Je voelt je pols, je polsslag is normaal
maar je denkt dat het niet goed gaat en er iets mis is met je hartslag

’s Nachts belde ik naar een huisartsenpost van
“het gaat niet goed met mij, ik heb een hartaanval”
Ik kreeg de assistente aan de lijn, “hou oud bent u meneer?”
Ik zei, “ja, 27”
“Nou, waarschijnlijk heeft u geen hartaanval, daar moet u een stuk ouder voor zijn
- bent u heel dik?” “Nee ik ben niet heel dik.. een beetje maar”
“Waarschijnlijk heeft u een paniekaanval, gewoon maandag naar de huisarts gaan”.

Maandag naar die huisarts gegaan en alles verteld wat ik had.
Die zei ook, “ja dat is een paniekaanval”.

In 2010 verscheen de documentaire Alles wat we wilden van Sarah Mathilde de Domogala. Alles wat we wilden gaat over jonge ambitieuze mensen en de tol die ze, achter de schermen, betalen voor een schijnbaar perfect en succesvol leven. Voor de documentaire volgde Domogala de reclameregisseur Emiel (29), researchassistente Mireille (27), modeontwerpster Nikki (28) en Daniël (25) die net is afgestudeerd aan de kunstacademie. Openhartig vertellen de vier over de hoge druk die ze ervaren om ‘het te maken’ en de negatieve gevolgen daarvan. Zo kreeg Emiel last van paniekaanvallen, is Mireille bang om dood te gaan (zonder iets bereikt te hebben) en zou ze het liefst weer kind willen zijn, Nikki onderdrukt haar angsten met antidepressiva waarmee ook Daniël zijn dwangmatige handelingen onderdrukt. ‘Stress, burnouts, rsi, rare psychische kwaaltjes’ bij een generatie die is opgevoed met het idee ‘dat je alles kan worden wat je wilt, zolang je er maar je best voor doet.' (-)

(Lees hier het hele artikel: influence of anxiety)

DE BRON ?...DAT BEN  IKZELF!

 

 

 

 

interview met Maria Roosen, door LoekMelis en Christianne Niesten

 

Welke kunstenaar zou iets zinnigs kunnen opmerken over bronnen die gebruikt worden als uitgangspunt om tot beelden te komen? Dat was de vraag, die we ons stelden als voorbereiding op een interview.. Een persoon aan wie we de volgende vragen zouden kunnen voorleggen:

In welke mate is je opleiding bepalend voor je manier van werken?

Wat brengt het beeldend proces op gang?

In hoeverre maak je bewust of onbewust gebruik van je inspiratiebronnen?(herinneringen, wereld om je heen en kunst)

Kun je goed werken binnen een vastgesteld kader, bijvoorbeeld een opdrachtsituatie?

En hoe ga je om met kritiek binnen de kunstwereld?

 

We zoeken iemand wiens werk velen aanspreekt. Een kunstenaar, die veelzijdig is en in meerdere materialen werkt en denkt. Bij voorkeur ook iemand, die een relatie heeft met de kunstvakopleiding in Tilburg. Zou Maria Roosen bereid zijn hieraan mee te werken? We kennen haar werk van de vele tentoonstellingen maar we zien er naar uit persoonlijk kennis te maken met een internationaal gerenommeerde kunstenaar. We leggen haar de vraag voor en krijgen meteen een positieve reactie. Ze nodigt ons uit voor een gesprek in haar atelier in Arnhem. Het atelier blijkt gevestigd te zijn in een voormalige kazerne aan de rand van de stad. Op het terrein geen spoor van die militaire voorgeschiedenis. Hoewel het complex besloten is, heerst er geen sfeer van een sacrale kunsttempel. Wel een broedplaats, waar kunst en natuur naadloos in elkaar overgaan. Lopend tussen kweekbakken voor planten en zwartgeblakerde boomstammen door komen we op de plek, waar Maria Roosen werkt: een grote witte ruimte met prachtig licht. Een grote werktafel, voltooid werk, klaar voor exposities, vele uiteenlopende materialen, schetsen, aquarellen en tussen dat alles enige medewerkers. Ondanks de veelvormigheid van objecten op iedere denkbare plaats is er een sfeer van rust, ordening en inspiratie. Het kennismaken ging zo gemoedelijk, zo pretentieloos, dat er als vanzelf een gesprek ontstond, zonder een formele interviewstructuur. Maria Roosen blijkt een enthousiast verteller van begin tot eind.

 

Startend met de beste herinneringen aan de invloed van haar moeder, die haar echt op het spoor heeft gezet van de kunsten, begint ze te vertellen:

“Mijn moeder adviseerde mij om op de Havo voor textiele werkvormen te kiezen. Ik heb toen al ondervonden, dat het zoeken naar persoonlijke oplossingen voor gestelde beeldende problemen meer oplevert dan het hanteren van de bekende oplossingsstrategieën. Na de Havo even overwogen om naar de Vrije school te gaan, maar daar werd vooral vrijblijvend gebatikt en ik wilde echt meer. Dus een cursus modeltekenen gevolgd en van een vriend stilleven leren tekenen om zó werk te verzamelen om ermee naar een opleiding te kunnen gaan. Ik werd aangenomen op het Mollerinstituut.

 

(Lees hier het hele artikel: De Bron)

 

De oplossing ligt in het conflict

 

Interview Hans de Wit, door Huib Fens en Christianne Niesten

 

Wanneer je een kunstenaar naar zijn bronnen vraagt stel je hem voor een onmogelijke opgave. Hij zal altijd en noodzakelijk onvolledig moeten zijn. Het is als het zoeken naar de oorsprong van een rivier en alle stroompjes, waterloopjes en regenbuien die hem voeden, zoals de cultuurfilosoof Claudio Magris probeert te doen in zijn boek over de Donau.

 

Soms doet een kunstenaar desgevraagd toch zijn uiterste best om uit die enorme berg, in tientallen jaren opgedane ervaringen, confrontaties, frustraties, onbewuste invloeden en onthullende ontdekkingen een aantal belangrijke inspiratiebronnen te destilleren. Zo’n kunstenaar is Hans de Wit. Bij binnenkomst in zijn atelier ligt er al een stapel boeken gereed op een tafeltje. Maar het gesprek begint, hoe kan het ook anders bij een dubbeltalent, met muziek.

Er zijn kunstenaars die jarenlang met een lantaarntje voor je uitlopen tot je ze op een dag passeert. Robert Wyatt is al jaren een belangrijke inspiratiebron om de manier waarop hij muziek steeds opnieuw probeert uit te vinden. Tijdens het interview zullen nog meer muzikanten de revue passeren, zoals Scott Walker die gewoon zijn eigen gang gaat en eens in de tien jaar een cd maakt. “Als hij wat te melden heeft”.

 

This is the First verse, this is the First verse

 

Ik heb na zitten denken over de vraag naar bronnen. Voor mij zijn dat altijd B-bronnen en nooit de highlights, die zijn zo uitgesproken onaantastbaar. Ik zie vaak dingen die niets met grote kunst te maken hebben die ik eigenlijk net zo interessant vind. Daar kan ik eigenlijk meer mee dan met dingen die uitgekristalliseerd zijn. Als ik een Vermeer zie, die is bij wijze van spreken zo hermetisch als de pest. Voor mijn eigen werk heb ik daar niet zo veel aan, wel om te bepalen wat schoon of subliem is. Ik merk dat ik zelf op een heel andere manier naar het sublieme moet zoeken. Mijn bronnen zijn heel wisselend: van tekeningen van van Gogh tot wat ik hier open heb liggen van een van mijn ‘idolen’, Meneer Breughel. Die vind ik heel authentiek, niet alleen qua verhaal maar ook qua beeld.

 

(Lees hier het hele artikel: interview Hans de Wit)